Boomsoortenkeuze

Laatst bewerkt op: 29-06-2022

Wat houdt het in

Bij aanplant van nieuw bos, bosverjonging door middel van aanplant of de aanleg van nieuwe landschapselementen moet een keuze voor aan te planten boomsoorten worden gemaakt. Soortenkeuze bij aanplant is een manier om invulling te geven aan klimaatslim bosbeheer. Door soorten te kiezen met gunstige klimaatadaptatie- of mitigatie-eigenschappen kan het bos weerbaarder worden gemaakt tegen veranderende omstandigheden en kan het bos een grotere bijdrage leveren aan vastlegging en opslag van CO2.

Soortenkeuze als maatregel voor klimaatverandering vraagt afgewogen beslissingen om tot de juiste soort te komen. In deze maatregel wordt besproken welke soorteigenschappen hier een belangrijke rol in spelen. Uiteraard is de geschiktheid van de groeiplaats daarbij belangrijk.  

De soortentabel geeft een overzicht van de groeiplaats eigenschappen en klimaatadaptatie- en mitigatie-eigenschappen van soorten. Daarnaast zijn er uitgebreide factsheets beschreven van zilverspar, tamme kastanje, walnootelsbesratelpopulierveldesdoorn, Atlas- en Libanoncederboomhazelaar, kustmammoetboomOosterse plataanzwarte noot, zeeden en taxus. Verder is het raadzaam om de NVWA veldgids ‘Invasieve houtige planten in Nederland’ te downloaden. Hierin wordt aangegeven welke risicovolle invasieve boomsoorten er in Nederland zijn en hoe daarmee om te gaan.

Foto: Mark van Benthem 

Bijdrage aan klimaatmitigatie

Boomsoorten kunnen op twee manieren gunstige eigenschappen hebben voor het bijdragen aan de reductie van CO2 in de lucht, namelijk door snel CO2 te kunnen opnemen of door lang CO2 te kunnen vasthouden. Dit zijn soorten met gunstige klimaatmitigatie-eigenschappen.

Soorten met een snelle jeugdgroei, zoals populier, esdoorn, berk of wilg, kunnen op korte termijn meer CO2 opnemen uit de lucht dan langzamer groeiende soorten. In pionierssituaties, zoals langs rivieren, kunnen deze soorten spontaan opkomen.

Ook kan, bijvoorbeeld in bos met een productiedoelstelling, worden gekozen voor boomsoorten die een potentieel hoge houtkwaliteit kunnen bereiken, zoals inlandse eik, Amerikaanse eik, zoete kers, robinia of kastanje. Dit zijn langzamer groeiende soorten, die echter hout van hoge kwaliteit kunnen produceren. De producten die hiervan gemaakt kunnen worden hebben een lange levensduur, waardoor de in het hout opgeslagen CO2 ook na de oogst nog lang opgeslagen blijft. Dit zijn soorten met een potentieel hoge CO2-substitutiewaarde.

De hierboven genoemde inheemse boomsoorten zijn ook interessant voor CO­2-vastlegging in bos met een biodiversiteitsdoelstelling. Inlandse eiken kunnen in potentie wel 1000 jaar oud worden en houden al die tijd hun tijdens de groei opgeslagen CO2 vast.

Bomen en struiken kunnen daarnaast emissies als fijnstof en stikstof afvangen. Dit is vooral interessant voor (laan)bomen in stedelijk gebied en in overgangszones rondom natuurgebieden. Bomen zijn effectiever in het afvangen van fijnstof en stikstof dan andere vegetaties, vanwege hun grotere volume en bladoppervlak. De wegvangcapaciteit voor verschillende vormen van emissies verschilt echter per soort.

Fijnstof wordt weggevangen doordat het de beplanting in wordt geblazen en daar aan de vegetatie blijft hangen. Fijnstof hecht beter aan ruwe, kleverige of behaarde oppervlakten, vooral wanneer het oppervlak vochtig is. Het grootste deel hecht aan het blad omdat dit een groter oppervlak beslaat dan houtige delen.

Naaldbomen hebben een grotere wegvangcapaciteit voor fijnstof dan loofbomen vanwege de fijne naaldenstructuur en het daardoor grote oppervlak aan bladstructuur. In het algemeen geldt dat bomen met kleinere bladeren een groter totaal bladoppervlak hebben en daardoor effectiever zijn in het wegvangen van fijnstof dan bomen met groter blad. Daarnaast is het kronendak van een naaldbomenopstand ruwer van loofbomen, waardoor meer turbulentie optreedt en meer fijnstof de vegetatie in wordt geblazen.

Soorten als grove den, zwarte den en reuzenlevensboom worden aangemerkt als soorten met hoge wegvangcapaciteit, maar ook bijvoorbeeld beuk, abeel en schietwilg scoren vrij hoog voor het afvangen van fijnstof.

Voor het wegvangen van gasvormige verontreinigingen, zoals stikstof (NOx) en ozon (O3) zijn juist loofbomen het meest geschikt. De gassen worden via de huidmondjes in het blad opgenomen, om door stofwisselingsprocessen in het blad te worden verwerkt. Door het bredere bladoppervlak zijn loofbomen hiervoor effectiever. Hier zijn juist grote gladde bladeren meer effectief dan kleinere, ruwe of behaarde bladeren. Wel geldt ook hier dat een groter kroonvolume en een groter totaal bladoppervlak een grotere wegvangcapaciteit betekent. Voor het afvangen van stikstof scoren de volgende soorten goed: esdoorn, ruwe berk, tamme kastanje, zomereik, Amerikaanse eik, plataan en populier.   

Bijdrage aan klimaatadaptatie

Klimaatverandering brengt naar verwachting grotere weersextremen met zich mee. Drogere zomers kunnen op arme, droge bodems voor grote vochttekorten zorgen. Nattere winters betekenen dat bomen op slechter ontwaterde groeiplaatsen met meer en langere perioden van inundatie te maken krijgen.

Op groeiplaatsen die gevoelig zijn voor deze extremen is het aan te raden om soorten te kiezen die tegen deze verwachte drogere on/of nattere omstandigheden bestand zijn. Dit zijn soorten met gunstige klimaatadaptatie-eigenschappen. Op nu al droge groeiplaatsen is het advies om bij aanplant te kiezen voor soorten met een hoge droogtetolerantie, zoals grove den, moseik, robinia, elsbes, plataan en tamme kastanje.

Op groeiplaatsen waar door toenemende neerslag in de winter langere perioden van waterstagnatie zullen optreden is het advies om soorten te kiezen met een hoge tolerantie voor inundatie, zoals schietwilg, kraakwilg, zwarte els en zwarte populier.

Aandachtspunten en risico’s

Inheemse soorten zijn goed aangepast aan de huidige Nederlandse omstandigheden. Hoe toekomstige omstandigheden eruit zullen zien is echter onzeker, waarmee het ook onzeker is of inheemse soorten in de toekomst nog goed kunnen gedijen. Hiermee is het ook de vraag of andere (exotische) soorten mogelijk geschikter zijn, of een aanvulling kunnen zijn voor onze toekomstige bossen. Het is daarom van waarde om meer te weten te komen over het gedijen van deze soorten op Nederlandse groeiplaatsen. Hier rijst een belangrijk dilemma, dat altijd in de afweging voor soortenkeuze moet worden meegenomen.

Nederland heeft net als andere Europese landen een verplichting om de inheemse soorten en biodiversiteit van het land in stand te houden. In Europese verdragen vanuit Forest Europe, zoals de “Conservation of Biodiversity of Forests” (Helsinki, 1993), hebben we ons gecommitteerd aan het beschermen van de biodiversiteit en het behoud van inheemse (boom)soorten. Het is dus van belang om inheemse soorten die door ziekten of plagen ernstig in aantal afnemen te beschermen en actief in te zetten op herstel om de soort in het inheemse soortenbestand te behouden.

Bij de keuze voor nieuwe, nog onbekende soorten die veelbelovend zijn voor toekomstige Nederlandse omstandigheden is het belangrijk terughoudend te zijn met de introductie van deze soorten in het systeem. Bij onbekende soorten is het niet duidelijk hoe zij zich in Nederland zullen handhaven, hoe de groei zal zijn, of ze last van vorstgevoeligheid of andere kwetsbaarheden hebben en of zij zich invasief kunnen gaan gedragen.

Natuurlijk is het ook bij nieuwe, bekende (uitheemse) boomsoorten belangrijk dat voorafgaand aan introductie in een nieuw gebied wordt nagegaan of de soort mogelijk invasief is. Amerikaanse eik, – vogelkers en robinia zijn voorbeelden van nieuw geïntroduceerde soorten die zich onder gunstige omstandigheden makkelijk blijken te verspreiden en invasief kunnen gedragen. Met name in bossen met een biodiversiteitsdoelstelling, of nabij een Natura2000-gebied, is het daarom onwenselijk om deze soorten actief aan te planten.

Wilt u nieuwe boomsoorten uitproberen in uw bos? Doe dit dan niet meteen op grote schaal, niet in bosstukken of nabij gebieden met een belangrijke of kwetsbare biodiversiteitswaarde, en houd het aandeel nieuwe, onbekende soorten laag. Plant de nieuwe boomsoort eerst gecontroleerd aan in een kleine hoeveelheid en documenteer welke herkomsten zijn gebruikt en hoe de soort zich ontwikkelt. Pas als uit dergelijke experimenten duidelijk wordt hoe nieuwe soorten in Nederland functioneren, en met zekerheid gesteld kan worden dat de soort een goede vitaliteit behoudt en geen bedreiging vormt voor inheemse boomsoorten en biodiversiteit, kan overwogen worden om de soort op een grotere schaal in het bos te introduceren.

Gaat u nieuwe boomsoorten aanplanten? Of heeft u ervaring met minder bekende boomsoorten? U kan uw project aanmelden op het boomsoortenportaal op de Gereedschapskist. Zo kunnen we van elkaar leren.